Voor de één een naam, voor de ander een oma

Het is zaterdagochtend 28 juli 2018 9.30 uur als ik op mijn fiets stap. Het is stil in de straat en er is niemand te bekennen. Het is warm; heet zelfs. Mijn blouse wappert in de wind wanneer ik begin te fietsen. Bij elke slag die ik met mijn benen maak om mezelf vooruit te trappen, trek ik mijn zwarte rokje naar beneden. Ik bedenk me hoeveel haat ik voel voor deze temperaturen en hoop dat het snel herfst is zodat ik weer lange broeken en truien kan dragen.

Het is ongeveer tien minuutjes fietsen naar het appartementencomplex waar oma woont. Eenmaal daar aangekomen zet ik mijn fiets in het fietsenrek en loop de schuifdeur door, de hal in. Ik druk op de knop naast het huisnummer van oma. Ik wacht en hoor nog geen tien seconden later de pieptoon dat de deur geopend wordt. Langzaam gaan er weer twee schuifdeuren open en ik loop de trap op naar de eerste verdieping. De deur van oma staat op een kiertje, zoals altijd als je daar hebt aangebeld. Ik duw de deur open en loop door de gang meteen de woonkamer in, waar mijn vader staat. “Hey pap”, zeg ik, “waar is oma?”. “Ooh, die heb ik van het balkon gegooid”, zegt mijn vader gekscherend, “ik was haar zó zat.” Ik moet glimlachen en met mijn ogen rollen tegelijk. Dit is de humor van onze familie. Dat kan soms heel irritant zijn, of heel grappig. Er is geen middenweg. Je houdt er van of je haat het. Ik ga er nog even lekker op door, waarna mijn vader zegt: “We zitten op het balkon.”

Samen met mijn vader loop ik de schuifpui door, naar het balkon. Oma is gek op planten, bloemen en de natuur. Is ze altijd al geweest. Vroeger, toen zij en opa nog wat fitter waren, had ze een prachtige tuin met de meest kleurrijke bloemen, stenen beeldjes, een rozenboog en een gigantische Blauwe Regen tegen de schuur. Toen ik daar als kind kwam, was ik er al door gefascineerd. Ik kan me de hele tuin nog letterlijk voor me halen. Sinds een jaar of tien moet oma het doen met een balkon. Voor haar is dat geen belemmering, maar een uitdaging. Haar hele balkon staat vol met planten en bloemen. Ook de stenen beeldjes van eenden en konijntjes ontbreken niet. Ze heeft verhogingen, zodat ze nóg meer planten kwijt kan, een vogelhuis (waar elk jaar een nestje in zit) en allerlei haken om vetbollen aan te hangen voor de vogels. Aan de rechterkant van haar balkon staat een zogenaamde tête-à-tête, waar oma zit. Haar grijze krullen wapperen lichtjes in de wind. Ze zit met haar benen over elkaar zoals ze dat vaker doet, haar rechter elleboog steunend op haar knie en een sigaret tussen wijs- en middelvinger in dezelfde hand. Ze staart voor zich uit, maar kijkt op als ik het balkon oploop. “Hoi oma”, zeg ik blij. “Hey meisje, koffie?”, is oma haar standaardzin terug. Ze wil opstaan, maar ik zeg dat ik zelf wel pak. Ik haal koffie voor ons alledrie en we zitten een tijdje op het balkon. “Ik hoop toch echt dat het vandaag flink gaat regenen”, zegt oma terwijl ze naar de donkere lucht kijkt. “Ik ben het een beetje zat om de planten twee keer per dag water te moeten geven. Ze zijn zó dorstig met dit weer.” Oma en haar plantjes. Ze heeft er alles voor over. De zware gieters kan ze niet meer tillen, maar deze zet ze op haar rollator, zodat ze de gieter alle kanten op kan rijden. Als ze ziet dat haar plantjes slap beginnen te hangen of bruin worden, komt ze meteen in actie.

We zitten een tijdje op het balkon als we druppels voelen. “We wilden regen, nou dan blijven we zitten ook!”, zegt mijn vader. En dat doen we. De kleine druppels vallen op onze benen, in de koffie, op ons haar. Maar we blijven zitten. “Aaah, lekker dit!”, zegt oma enthousiast. We zijn allemaal blij met de regen. Als de druppels toch iets groter worden en het harder gaat regenen, besluiten we naar binnen te verkassen. We lopen naar haar tafel, waar we plaatsnemen op de zachte, blauwe, stoffen stoelen. Oma rommelt wat in een stapel papier op tafel en haalt een kaart tevoorschijn. “Kijk”, zegt ze en ze overhandigt de kaart aan mijn vader. Er staat een zwartwitfoto op van een bruidspaar. De foto oogt oud. “Moet ik deze mensen kennen?”, zegt mijn vader. Oma schudt haar hoofd. “Nee, nee. Dit zijn mensen die hier in het gebouw wonen. Iedereen is uitgenodigd op hun feest. In september zijn ze zés-tíg jaar getrouwd!” Oma legt nadrukkelijk de klemtoon op zés-tíg. Mijn vader en ik zijn onder de indruk. Zestig jaar, dat is best een lange tijd.

Na ruim anderhalf uur bijpraten en koffiedrinken is het tijd om te gaan. Oma loopt met ons mee om de krant te halen. Haar brievenbus bevindt zich aan de ingang van het gebouw, bij de schuifdeuren. Ze geeft mij een arm en we lopen de deur uit, de galerij op. Ook daar heeft oma allerlei potten met planten staan. Oma wankelt soms een beetje en ik ben elke keer bang dat ze over haar eigen planten struikelt. Ik ben blij dat ik haar daarom aan de arm heb. We wachten op de lift en kletsen wat. Eenmaal beneden schuiven de liftdeuren open en lopen we gearmd richting de brievenbus. Op dat moment worden we bijna omver gelopen door twee politieagenten. We hoorden al sirenes, maar hadden nooit verwacht dat dat hier in dit complex moest zijn. Er was veel haast, en er renden nog wat mensen achter de agenten aan. Ik vond het maar niks. “We moeten op nummer 148 zijn, waar is dat?”, vroeg iemand gehaast. M’n vader vertelde ze snel dat ze op de eerste verdieping moesten zijn. Dit riep hij maar naar iedereen die langsrende, want het bleef maar gaan.

We hadden inmiddels gedag gezegd tegen oma en liepen door de schuifdeuren en de hal naar buiten. Daar kwamen weer allerlei gehaaste mensen richting het gebouw rennen. “Ik kreeg een oproep voor reanimatie, jullie ook?”, zei een jonge vrouw tegen ons. We zeiden van niet, maar vertelden haar wel waar ze moest zijn. “148, eerste verdieping”, was onze nieuwe mantra geworden. Ik bleef nog even bij mijn fiets staan om te bekijken wat er allemaal gebeurde. Er was zelfs een vrouw die net van de kapper kwam en het folie nog in haar haren had zitten. Ook zij had een oproep gehad en was meteen gekomen. Ik keek naar de namen en nummers bij de brievenbussen en keek naar de naam bij nummer 148. Dezelfde naam als die er op de kaart stond van de mensen die hun zestigjarige huwelijk zouden vieren. “Pap”, zei ik, “kijk die naam. Die stond toch ook op de kaart die oma liet zien?” “Ja, verdomd”, reageerde mijn vader. Ik kreeg er de rillingen van. Ik stapte op mijn fiets en reed met mijn wapperende blouse richting m’n werk. Ik moest er de hele dag aan denken en kon deze hele gebeurtenis maar moeilijk loslaten.

Een paar dagen later, op woensdag, was ik weer bij oma. Dit keer zaten we op de bank. Zoals oma dat altijd zo mooi zegt: “Zullen we in de salon gaan zitten?”. Milan en mijn vader zijn er ook, en met z’n vieren zitten we in de salon. Oma tovert een briefje tevoorschijn. Het is in een lange strook geknipt. Waarschijnlijk heeft er tien keer dezelfde tekst op het A4’tje gestaan en is dit uitgeknipt en bij iedereen door de brievenbus gedaan. Op het strookje staat dat de mevrouw van nummer 148 die in september samen met haar man hun zestigjarige huwelijksfeest zouden vieren, afgelopen zaterdag is overleden. Als je al een gift had gedaan voor een gezamenlijk cadeau, kon je die terugvragen. “Toevallig had ik net die dag een envelopje gegeven”, zei oma. “Maar die krijg ik dus gewoon terug.” Ik vond dat oma er heel makkelijk over deed. Ikzelf heb sowieso al moeite met zulke onderwerpen, dus misschien dat ik er daarom wat zwaarder aan til. “Dus al die mensen die kwamen reanimeren waren eigenlijk al te laat?”, vroeg ik. “Ja”, zei oma. “Ze wilde naar de douche lopen maar kreeg heel veel pijn in haar onderbuik. Toen viel ze neer en was ze dood. Nou, daar teken ik voor, hoor!” Ietwat beduusd schud ik mijn hoofd. “Hoezo teken je daarvoor?” Je wilt toch niet…?” “Nou, dit is toch veel beter dan jarenlang lijden? Of dement worden of een ziektebed van máánden met veel pijn. Voor de nabestaanden is dit vervelend, maar voor de persoon zelf is dit de beste manier om te gaan.” Ik kan er niet bij dat oma er zo makkelijk over doet. “Dus je kan zomaar neervallen en doodgaan…” zeg ik. Milan springt bij, want hij weet dat ik hierin kan blijven hangen. “Schat, deze mevrouw was zestig jaar ouder dan jij hé?”, stelt hij mij gerust. “Ja, dat weet ik, maar toch. Dit staat mij ooit ook te wachten.” Oma haakt meteen in: “Nou, wat denk je van mij? Ik ben oud, dus ik ben als eerste aan de beurt. Ik probeer er niet te veel over na te denken, anders slaap ik helemáál niet meer!” M’n vader geeft oma gelijk en vindt deze manier ook veel beter dan een lang ziektebed. Ik wil er niet te lang meer over nadenken.

“Vrijdag is de begrafenis”, zegt oma. “Ik ga er niet heen. Zo goed kende ik haar ook niet en als ik iedere keer naar élke begrafenis moet, dan blijf ik bezig.” Ik kijk naar oma. Ze zit met haar benen over elkaar zoals ze dat vaker doet, haar rechter elleboog steunend op haar knie en een sigaret tussen wijs- en middelvinger in dezelfde hand. Ooit komt er een dag dat oma er niet meer is. Als er dan op het prikbord in de gezamenlijke ruimte een kaartje hangt met haar naam, is dat voor sommigen maar een naam. Een bekend gezicht van iemand uit hetzelfde wooncomplex die er niet meer is, die je vaag hebt gekend. Maar voor ons, voor míj, is het oma.

We lopen bij oma de deur uit en lopen de schuifdeuren door naar buiten. We komen een man met zijn dochters tegen. Ik herken de man, hij kwam veel in het restaurant waar ik werk. Ik ken zijn achternaam, dezelfde als die van de overleden vrouw. Waarschijnlijk is hij met zijn dochters op weg naar nummer 148, naar zijn vader en hun opa, om dingen te regelen voor hun oma. Eén van de dochters drukt op de bel naast het naambordje van haar opa en oma. Voor ons maar gewoon een naam, maar voor hún was het oma.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *